Nooit meer alleen met de kunst
24/06/2010,
Door Renée Steenbergen
Musea zijn populair. Hun bezoekersaantallen zijn de afgelopen decennia spectaculair gegroeid.
Mensen staan zelfs in de rij om er naar binnen te kunnen, vooral voor de kunstmusea. Het Louvre, de Tate Modern maar ook ons eigen Van Gogh Museum halen makkelijk een miljoenenpubliek binnen.
Het gaat dus goed met de musea, zou je denken. Toch kampen ze internationaal met grote problemen. Ze moeten uitbreiden om die groeiende stroom bezoekers te kunnen bergen, ze hebben een chronisch tekort aan depotruimte voor hun snel groeiende collecties, ze moeten steeds meer eigen inkomsten genereren. Musea zijn bloeiende en tegelijk in crisis. Mèt hun aantal en omvang lijken hun moeilijkheden alleen maar toe te nemen. Daar merken wij als publiek natuurlijk ook wat van.
Een ongewenst effect van de gestegen publieksaantallen voor de bezoekers zelf zijn
de groepen die rondgeleid worden. Iedereen die zo nu en dan in een museum komt, wordt onontkoombaar met ze geconfronteerd: de luid pratende rondleidster en de al even hardop met elkaar pratende ‘luisteraars’.
De afgelopen week maakte ik het twee keer mee, in Museum Boijmans in Rotterdam en in de Amsterdamse dependance van de Hermitage. De tentoonstellingen en de zaalindeling waren heel verschillend, maar het effect van dat rumoerige publiek was hetzelfde: storend.
Individuele bezoekers worden letterlijk aan de kant geschoven door zo’n kluit mensen. Daar sta je dan, met je rug tegen de muur, het zicht op de kunst geblokkeerd door al die koppen ervoor.
Wat vooral ontbreekt is de mentale ruimte om te reflecteren over het gebodene, de rust om de kunst op je in te laten werken. Terwijl dat toch een van de hoofdtaken is van het museum: kunst optimaal presenteren, zodat wij die in de best mogelijke omstandigheden kunnen ervaren.
Zoals de kunstenaar het heeft bedoeld.
Maar veel meer tijd dan voor een snelle blik is er vaak niet, achter je dringen andere bezoekers op, of een nieuwe groep. Het is nooit meer stil in een museum. Je kunt er niet meer alleen zijn met de kunst.
Hoewel dit een veel voorkomend dilemma is dat de populariteit van (kunst)musea met zich mee brengt, negeren museumdirecties het probleem. De solitaire kunstliefhebber moet de tol van hun succes betalen en wordt aan zijn lot overgelaten. Niet zelden moet hij delen van de expositie overslaan omdat hij de kunstwerken simpelweg niet kan zien.
In de Hermitage gebeurde dit heel letterlijk in de kabinetten aan weerszijden van de centrale zalen. Deze kamertjes zijn volstrekt ongeschikt voor het ontvangen van groepen van meer dan vijf mensen, maar toch stonden we daar met zijn twaalven de Picasso’s af te dekken voor de andere belangstellenden. Al maakte ik ditmaal zelf deel uit van een groep, ik voelde me er niet prettig onder.
Hardop praten in een museum, zoals onze overigens goed geïnformeerde rondleidster deed, vind ik ronduit raar. De informatie krijg ik liever voor- of achteraf, in een lezing of een videodocumentaire. Kijken doe je zelfstandig, en in stilte. Dat is niet zozeer een opvatting van mij als wel een behoefte.
En ik ben de enige niet, aan de geërgerde blikken te zien die de loslopende bezoekers op onze groep wierpen. Informatie in het museum hoort op een bordje aan de muur, naar keuze te lezen, of eventueel te beluisteren via een koptelefoon. (Al hebben walkmans en ipods het nadeel dat er minutenlang drommen mensen staan voor de topstukken die worden becommentarieerd).
In Museum Boijmans bleek de aanwezigheid van één groep ronduit desastreus voor de beleving van de kunst. Het gebeurde in de installatie van de kunstenaar Olafur Eliasson die zich uitstrekt over meerdere zalen. Notion Motion vormt één uitgestrekt, contemplatief werk waarin op grote schermen filmbeelden te zien zijn van een wateroppervlak dat in beweging wordt gezet en van de weerkaatsing van licht op water. Volgens de website van het museum wordt de bezoeker in deze installatie ‘ondergedompeld in een overweldigende visuele wereld’. Althans, dat is de ideale beleving van dit meditatieve kunstwerk.
De realiteit was anders. Bij binnenkomst in de eerste zaal stond daar een groep volwassenen op en neer te springen op de krakende houten vloer die onderdeel uitmaakt van de installatie. Het leek wel een kinderspeeltuin in Boijmans! Niemand spreekt zijn medeburgers graag aan op hun gedrag, maar dit was zó ongepast dat ik toch maar vroeg hiermee op te houden. Verbaasde blikken van de lachende en pratende springers, waarop een vrouw zich bekend maakte als de rondleidster en meedeelde dat zij de mensen had aangemoedigd te springen op de kierende vloerdelen. Een vertegenwoordiger van het museum zelf bleek de aanstichter van deze kakofonie!
,,Maar we zijn zo weg hoor, dan heeft u geen last meer van ons,’’ concludeerde ze wat voorbarig.
Want de open zalen van Eliassons installatie zorgden ervoor dat iedere andere bezoeker de groep luidruchtig hun ronde hoorde maken door de zalen. En dat kost flink tijd, met al die uitleg bij deze beelden die toch van zichzelf genoeg zeggingskracht hebben. Overigens lijkt het of al dat geluid in de musea andere bezoekers besmet, zoals één mobiele beller in een treincoupé anderen de rechtvaardiging biedt om ook maar aan het telefoneren te slaan. Steeds vaker hoor je mensen luidop zonder aan elkaar meedelen wat ze van de aanwezige kunst vinden. Zonder dat een van de –vaak schaars aanwezige- suppoosten ooit ingrijpt- die staan zelf vaak met elkaar te praten.
Het probleem werd kernachtig samengevat door een man die aan een groepsgenoot vroeg: ‘Zo, en wat is hier te beleven?’ Ja, de belevingseconomie is het museum binnengedrongen en dat zullen we weten ook. Alleen naar kunst kijken is kennelijk niet meer voldoende, er moet iets leuks te doen zijn, en anders leuken we het op met wat gymnastiek in het museum.
Ik ben er zeker van dat Eliasson iets anders bedoelde over te brengen toen hij deze installatie maakte. Ik ben er ook zeker van dat de directeur en de conservatoren van Boijmans zelf deze kunst onder heel andere omstandigheden willen en kunnen zien dan zij belangstellende bezoekers nu bieden.
Maar er zijn oplossingen voorhanden. Verruim de openingsuren van de musea- nu sluiten ze op het moment dat de mensen uit hun werk komen. Als ze meer publiek willen, prima, laten ze dan tot 8 of 9 uur ’s avonds open blijven. Dan spreiden die bezoekers zich beter over de dag. En anders is er de mogelijkheid quota in te stellen met een maximum aantal bezoekers per uur. Vooral voor exposities als die van Eliasson, die nu eenmaal ongeschikt zijn om door veel mensen tegelijk individueel ervaren te worden. En uiteraard rondleidingen alleen houden vóor en na openingstijden, en eventueel tussen de middag.
Zo kan de kunst, en de aandacht voor de kunst, weer centraal staan in het museum.